Subklassen 2.1, 2.2 en 2.3
Klasse 2 wordt onderverdeeld naar het hoofdgevaar van het gas. Subklasse 2.1 omvat brandbare gassen: gassen die bij 20°C en normale druk met lucht een ontvlambaar mengsel vormen. Voorbeelden zijn LPG (UN1965 voor het mengsel, of UN1075 als gecondenseerd petroleumgas), waterstof (UN1049) en acetyleen (UN1001, opgelost in een oplosmiddel binnen de cilinder). Subklasse 2.2 omvat niet-brandbare, niet-giftige gassen: stikstof (UN1066), kooldioxide (UN1013) en samengeperste zuurstof (UN1072) vallen hieronder. Subklasse 2.3 omvat giftige gassen: chloor (UN1017) en watervrije ammoniak (UN1005) zijn de bekendste voorbeelden. Ammoniak is daarbij een goed voorbeeld van een gas met een secundair gevaar: naast giftig is het ook bijtend, en de zending krijgt daardoor twee etiketten in plaats van één.
Geen verpakkingsgroep
Klasse 2 kent, net als klasse 1 en klasse 7, geen indeling in verpakkingsgroep I, II of III. In plaats daarvan bepaalt de subklasse (2.1, 2.2 of 2.3) samen met het type verpakking — cilinder, drukvat of tank — welke voorschriften gelden.
Etiketten
Subklasse 2.1 krijgt een rood etiket met een vlam. Subklasse 2.2 krijgt een groen etiket met een gasflespictogram. Subklasse 2.3 krijgt een wit etiket met een doodshoofd. Bij gassen met een secundair gevaar — zoals ammoniak, giftig én bijtend — komt het etiket voor klasse 8 (bijtend) erbij. Twee etiketten op één colli of tank is bij klasse 2 eerder regel dan uitzondering zodra het om giftige gassen gaat. Het gevaarsetiket wordt aangevuld met een oranje bord met het UN-nummer en het gevaarsidentificatienummer bij tankvervoer, zichtbaar aan voor- en achterzijde van het voertuig, zodat hulpdiensten bij een incident direct kunnen zien om welke stof het gaat zonder eerst de vrachtbrief te hoeven raadplegen.
Cilinders, drukvaten en identificatie
Naast tankvervoer wordt een aanzienlijk deel van klasse 2 vervoerd in cilinders en drukvaten: kleinere, individueel gekeurde eenheden die per stuk of in bundels worden geladen. Elke cilinder draagt een eigen keuringsstempel met een geldigheidstermijn en moet voorzien zijn van het juiste gevaarsetiket en de UN-nummeraanduiding. Bij het samenladen van cilinders met verschillende gassen geldt dezelfde samenladingstabel als bij ander ADR-vervoer: een cilinder met een brandbaar gas (2.1) mag niet zonder meer naast een cilinder met een oxiderend gas worden geplaatst, omdat een lekkage van beide tegelijk een aanzienlijk risico oplevert. Cilinders worden bovendien rechtop en gezekerd vervoerd, met de afsluiter beschermd tegen beschadiging tijdens transport.
Een aanvullende praktische maatregel bij brandbare gassen als LPG is odorisatie: aan het reukloze gas wordt een stof toegevoegd die een herkenbare geur geeft, zodat een lekkage vroegtijdig opgemerkt wordt. Niet elk gas binnen subklasse 2.1 wordt geodoriseerd — bij gassen die voor industriële toepassingen bestemd zijn, kan geurstof ongewenst zijn, en dat maakt reukwaarneming alleen als indicator onvoldoende. Detectie via meetapparatuur blijft bij grotere installaties en tankvervoer de primaire controlemethode.
Druk, vulgraad en tankkeuring
Bij tankvervoer van gassen is de druk in de tank een doorlopend aandachtspunt: de tank moet bestand zijn tegen de dampdruk van het gas bij de hoogst te verwachten temperatuur tijdens het vervoer. Voor vloeibaar gemaakte gassen geldt een vulgraadberekening: de tank mag niet volledig gevuld worden, omdat de vloeistof bij opwarming uitzet en anders geen ruimte meer heeft. Een te hoge vulgraad is een van de oorzaken van overdrukincidenten bij gastransport. Tankcontainers en tankvoertuigen voor gassen zijn onderworpen aan een periodieke keuring; het keuringsbewijs moet bij het voertuig aanwezig zijn en de geldigheidstermijn wordt vooraf gecontroleerd.
Het onderscheid tussen samengeperst gas, vloeibaar gemaakt gas en sterk gekoeld vloeibaar gemaakt gas (cryogeen gas, zoals vloeibare stikstof) bepaalt het type tank of cilinder dat is toegestaan. Cryogene gassen vragen een geïsoleerde tank en aanvullende voorzieningen om de temperatuur laag genoeg te houden; dat is een andere techniek dan de drukvaten die voor samengeperste gassen worden gebruikt.
Overdrukbeveiliging
Tanks en cilinders voor klasse 2 zijn voorzien van een overdrukbeveiliging die bij het overschrijden van een vastgestelde druk gas afblaast, om te voorkomen dat de druk in het vat verder oploopt tot een niveau waarop het materiaal zelf zou bezwijken. Deze beveiliging is een vast keuringsonderdeel en moet ongehinderd kunnen functioneren: een voertuig waarbij de afblaasopening is afgedekt of geblokkeerd door lading of bevestigingsmateriaal voldoet niet aan de voorschriften, ook als de tank zelf in orde is. Bij tankvervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen komt daar de isolatie bij: een beschadigde isolatielaag verhoogt de opwarmingssnelheid van het product en daarmee de belasting op de overdrukbeveiliging.
Veiligheidsafstanden en losplekken
Bij het lossen van gastankwagens, bijvoorbeeld bij een LPG-installatie of een industrieterrein, gelden veiligheidsafstanden tussen het voertuig en omliggende bebouwing, ontstekingsbronnen en andere activiteiten. Deze afstanden zijn niet uniform voor alle gassen: een brandbaar gas onder druk vraagt doorgaans een grotere afstand dan een niet-brandbaar, niet-giftig gas zoals stikstof. De exacte afstand hangt af van lokale voorschriften en de inrichting van de losplek, en wordt in de regel vooraf vastgelegd in een instructie voor de chauffeur en de ontvanger, niet ter plekke geïmproviseerd.
Aardgas en LNG als voertuigbrandstof
Naast industriële en huishoudelijke toepassingen groeit het wegvervoer van aardgas als voertuigbrandstof, zowel als samengeperst gas (CNG) als sterk gekoeld vloeibaar gemaakt gas (LNG). Beide vallen onder klasse 2, subklasse 2.1, vanwege de brandbaarheid van het gas. LNG-transport vraagt vanwege de zeer lage temperatuur — rond de min 162°C — een gespecialiseerde geïsoleerde tank en aanvullende kennis bij laden en lossen, waaronder de omgang met koude verbrandingen bij eventueel contact met de vloeistof. Dit is een groeiend segment binnen klasse 2 dat qua techniek dichter bij cryogeen tankvervoer staat dan bij het vervoer van reguliere LPG-cilinders.
Veelgemaakte fouten
- Subklasse 2.1 en 2.2 verwisselen bij het invullen van het vervoersdocument, met als gevolg een onjuist eerste etiket.
- Het tweede etiket vergeten bij gassen met een secundair gevaar, zoals ammoniak (giftig én bijtend) of chloor.
- De keuring van een tankcontainer laten verlopen zonder dit te signaleren vóór het laden.
- De vulgraad van een vloeibaar gemaakt gas niet herberekenen bij een wisseling van het te vervoeren product.
Zie voor de bredere plaats van klasse 2 binnen het classificatiesysteem het overzicht van de negen ADR-klassen, en voor de vaste volgorde van gegevens op de vrachtbrief de pagina over het vervoersdocument.