Hoe classificatie werkt
Classificatie onder ADR is geen keuze van de vervoerder. De afzender bepaalt de classificatie, op basis van de fysische en chemische eigenschappen van de stof zoals die zijn vastgelegd in het veiligheidsinformatieblad. De vervoerder en de chauffeur nemen die classificatie over — zij controleren of het transport eraan voldoet, maar stellen haar niet zelf vast. Bij twijfel over een specifieke indeling is het veiligheidsinformatieblad of de fabrikant de aangewezen bron, niet een schatting op de werkvloer.
Elke stof krijgt in de eerste plaats een hoofdklasse: een cijfer van 1 tot en met 9 dat het type gevaar aanduidt. Een aantal klassen kent daarnaast een subklasse, ook wel divisie genoemd. Klasse 2 (gassen) valt uiteen in 2.1 brandbaar, 2.2 niet-brandbaar en niet-giftig, en 2.3 giftig. Klasse 4 (brandbare vaste stoffen) kent 4.1, 4.2 (voor zelfontbranding vatbaar) en 4.3 (stoffen die bij contact met water brandbaar gas ontwikkelen). Klasse 5 splitst in 5.1 oxiderend en 5.2 organische peroxiden. Klasse 6 splitst in 6.1 giftig en 6.2 infectueus. Klasse 1 kent een eigen, uitgebreider systeem van zes divisies (1.1 tot en met 1.6), zie de pagina over klasse 1 hieronder.
Naast de klasse en eventuele subklasse krijgt elke stof een UN-nummer: een viercijferige code die de stof internationaal eenduidig identificeert, ongeacht taal of land. Datzelfde UN-nummer staat in Tabel A van het ADR-verdrag, samen met de officiële vervoersnaam, de klasse, de verpakkingsgroep waar van toepassing, en eventuele bijzondere bepalingen. Voor de meeste klassen geldt daarnaast een verpakkingsgroep — I voor hoog gevaar, II voor gemiddeld en III voor laag gevaar — die aangeeft hoe robuust de verpakking moet zijn en meetelt in de berekening van vrijstellingen. Klasse 1, klasse 2 en klasse 7 vormen hierop de uitzondering: deze drie klassen kennen geen verpakkingsgroep-systeem. Voor klasse 1 geldt in plaats daarvan een compatibiliteitsgroep (een letter), voor klasse 2 een indeling naar het type gas en de druk, en voor klasse 7 een eigen stelsel van colli-typen en transportindex. Zie de pagina over verpakkingsgroepen voor de volledige uitwerking van groep I, II en III.
Waarom de klasse bepalend is
De hoofdklasse — en waar van toepassing de subklasse — stuurt vier zaken die verderop in de keten allemaal terugkomen.
Etikettering. Elke klasse heeft een eigen gevaarsetiket: een ruitvormig pictogram met een vast kleurenschema en symbool. Bij een stof met een secundair gevaar — bijvoorbeeld een giftig gas dat ook bijtend is — komt er een tweede etiket bij. Het ontbreken van dat tweede etiket is een van de meest voorkomende tekortkomingen bij wegcontroles.
Scheidingsvoorschriften bij samenladen. Niet elke combinatie van klassen mag in dezelfde laadruimte. De samenladingstabel in het ADR-verdrag geeft per klassecombinatie aan of gezamenlijk vervoer is toegestaan, alleen onder voorwaarden, of helemaal niet. Voor klasse 1 gelden daarnaast de compatibiliteitsgroepen als extra laag boven op de klasse-scheiding.
Chauffeursopleiding en specialisatie. Het ADR-basiscertificaat dekt colli-vervoer voor de meeste klassen. Voor tankvervoer is een aparte aantekening vereist, en voor klasse 1 en klasse 7 gelden eigen specialisatiemodules bovenop het basiscertificaat. Een chauffeur zonder de juiste aantekening mag de lading juridisch niet vervoeren, ook niet als de rest van de zending in orde is.
Het vervoersdocument. De klasse, subklasse, het UN-nummer en de verpakkingsgroep staan in een vaste volgorde op het vervoersdocument vermeld. Die volgorde is voorgeschreven en niet vrijblijvend — de uitwerking staat op de pagina over het vervoersdocument.
Verzwaard regime
Drie klassen kennen binnen dit naslagwerk een verzwaarde markering (rood): klasse 1 (ontplofbare stoffen), klasse 6 (giftige en infectueuze stoffen) en klasse 7 (radioactieve stoffen). Dat is geen indicatie dat deze klassen gevaarlijker zijn dan de andere zes — het is een signaal dat de bijkomende voorschriften (specialisatieopleidingen, gekeurde voertuigen, meldingsplicht) omvangrijker zijn dan bij de overige klassen.
Classificatie en het veiligheidsinformatieblad
De praktische basis van elke classificatie is het veiligheidsinformatieblad (VIB) dat de leverancier van de stof verstrekt. Daarin staan de fysische en chemische eigenschappen die bepalen onder welke klasse, subklasse en verpakkingsgroep een stof valt: vlampunt, kookpunt, pH-waarde, toxiciteit en dergelijke. Een planner die een nieuwe stof voor het eerst verzendt, doet er goed aan het VIB naast Tabel A van het ADR-verdrag te leggen voordat de zending wordt samengesteld. Bij een mengsel van meerdere stoffen geldt niet automatisch de classificatie van het gevaarlijkste bestanddeel — de eigenschappen van het totale mengsel zijn bepalend, en die kunnen afwijken van wat de afzonderlijke ingrediënten doen vermoeden.
Voor een aantal stofgroepen bestaat een generieke UN-omschrijving die van toepassing is wanneer de specifieke stof niet met naam in Tabel A voorkomt — bijvoorbeeld "brandbare vloeistof, N.E.G." (niet elders genoemd). Deze generieke posten zijn bedoeld voor uitzonderingsgevallen en vervangen niet de zoektocht naar een specifieker UN-nummer als dat bestaat. Een onterecht gebruikte N.E.G.-omschrijving is een veelvoorkomende reden waarom een zending bij een wegcontrole als onjuist geclassificeerd wordt aangemerkt.
Herziening van de ADR-tekst
De ADR-tekst wordt in beginsel elke twee jaar herzien, met een overgangsperiode waarin de voorgaande versie nog naast de nieuwe gebruikt mag worden. Nieuwe stoffen krijgen een UN-nummer toegewezen, bestaande classificaties worden aangescherpt of versoepeld op basis van nieuwe testgegevens, en bijzondere bepalingen worden bijgewerkt. Voor een naslagwerk als dit betekent dat een concrete UN-toewijzing of bijzondere bepaling nooit als permanent moet worden beschouwd: raadpleeg bij een belangrijke beslissing altijd de op dat moment geldende officiële tekst, niet alleen een eerdere versie of een samenvatting.
De negen klassen
Klik op een klasse voor de volledige uitwerking: subklassen, typische stoffen met UN-nummer, etiket, bijzondere bepalingen en veelgemaakte fouten.
Ontplofbare stoffen
Stoffen en voorwerpen die door een chemische reactie gas kunnen ontwikkelen met schade tot gevolg.
VUURWERK · SPRINGSTOF · MUNITIEKlasse 1: Ontplofbare stoffenGassen
Samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost onder druk. Onderverdeeld in brandbaar, niet-brandbaar en giftig.
PROPAAN · ZUURSTOF · AMMONIAKKlasse 2: GassenBrandbare vloeistoffen
Vloeistoffen met een vlampunt onder de 60 graden Celsius. De grootste categorie in het wegvervoer.
BENZINE · ETHANOL · VERFVERDUNNERKlasse 3: Brandbare vloeistoffenBrandbare vaste stoffen
Inclusief zelfontbrandende stoffen en stoffen die bij contact met water brandbaar gas vormen.
LUCIFERS · NATRIUM · FOSFORKlasse 4: Brandbare vaste stoffenOxiderende stoffen
Stoffen die zuurstof afgeven en daarmee brand van ander materiaal veroorzaken of versterken.
WATERSTOFPEROXIDE · NITRATENKlasse 5: Oxiderende stoffenGiftige en infectueuze stoffen
Stoffen die bij inademing, opname of huidcontact schade toebrengen. Klasse 6.2 omvat besmettelijke stoffen.
BESTRIJDINGSMIDDELEN · UN3373Klasse 6: Giftige en infectueuze stoffenRadioactieve stoffen
Aparte regelgeving met eigen colli-typen, transportindex en meldingsplicht bij de autoriteiten.
MEDISCHE ISOTOPEN · BRONNENKlasse 7: Radioactieve stoffenBijtende stoffen
Stoffen die levend weefsel aantasten of bij lekkage schade aan het voertuig veroorzaken.
ZWAVELZUUR · NATRONLOOG · ACCU'SKlasse 8: Bijtende stoffenDiverse gevaarlijke stoffen
Restcategorie met eigen voorschriften. Lithiumbatterijen vallen hieronder en vormen een groeiend vraagstuk.
LITHIUMBATTERIJEN · ASBEST · DROOGIJSKlasse 9: Diverse gevaarlijke stoffen